Wat verandert er in 2026? Overzicht van nieuwe regels voor werk, loon en huisvesting

Het jaar 2026 brengt opnieuw stevige veranderingen met zich mee voor werkgevers, uitzendorganisaties en opdrachtgevers. Op het gebied van arbeidsvoorwaarden, beloning, huisvesting en toezicht worden meerdere regels aangescherpt of aangepast. Hieronder een overzicht van de belangrijkste ontwikkelingen waar organisaties zich tijdig op moeten voorbereiden.
Aangepaste maximale huisvestingskosten
Ook de regels rondom het in rekening brengen van huisvestingskosten veranderen. Per 1 januari 2026 worden de maximale bedragen binnen het PKS-systeem aangepast. Deze nieuwe normen zijn verwerkt in een vernieuwde PKS-rekentool, die via de ABU beschikbaar komt. Werkgevers die huisvesting aanbieden aan uitzendkrachten moeten hier rekening mee houden.Stijging van het minimumloon
Het wettelijk minimumloon gaat per 1 januari 2026 omhoog naar 14,71 euro per uur voor werknemers van 21 jaar en ouder. Ook de minimumlonen voor jongeren worden verhoogd. Zo ontvangen 20-jarigen straks een uurloon van 11,77 euro, terwijl voor BBL-leerlingen van die leeftijd een lager tarief geldt. Jongere leeftijdsgroepen volgen dezelfde opwaartse lijn.
Wijzigingen in loonkostenvoordelen
Het loonkostenvoordeel voor oudere werknemers (55 jaar en ouder) wordt afgebouwd. Voor dienstverbanden die starten op of na 1 januari 2024 vervalt dit voordeel per 1 januari 2026. Werknemers die al vóór die datum in dienst waren, blijven wel onder de bestaande regeling vallen.
Tegelijkertijd krijgt het loonkostenvoordeel voor de banenafspraak een permanent karakter. De huidige maximale looptijd van drie jaar komt te vervallen. Werkgevers behouden het voordeel zolang de werknemer is opgenomen in het doelgroepregister en in dienst blijft. De aparte doelgroepverklaring verdwijnt.
Mogelijke beperking compensatie transitievergoeding
Hoewel nog niet definitief, ligt er een voorstel om de compensatie van de transitievergoeding bij ontslag na langdurige arbeidsongeschiktheid te beperken. Vanaf 1 juli 2026 zou deze regeling alleen nog gelden voor kleine werkgevers met minder dan 25 werknemers. Grotere werkgevers moeten er rekening mee houden dat compensatie mogelijk niet langer beschikbaar is.
Strengere handhaving op schijnzelfstandigheid
De zogenoemde ‘zachte landing’ bij de handhaving op schijnzelfstandigheid eindigt op 31 december 2025. Vanaf 2026 kan de Belastingdienst niet alleen naheffingen opleggen, maar ook boetes aan opdrachtgevers die zzp’ers inzetten voor werkzaamheden die feitelijk als loondienst worden gezien. Daarmee nemen de financiële en juridische risico’s voor opdrachtgevers en intermediairs toe.
In de Tweede Kamer klinkt wel de roep om de volledige handhaving met een jaar uit te stellen, maar hierover is nog geen definitief besluit genomen.
Wet VBAR nog niet definitief
De Wet Verduidelijking Beoordeling Arbeidsrelaties en Rechtsvermoeden (VBAR) staat gepland voor 1 juli 2026, maar is nog niet door de Tweede Kamer aangenomen. De wet moet duidelijker vastleggen wanneer sprake is van werknemerschap en introduceert een rechtsvermoeden van een arbeidsovereenkomst bij een uurtarief onder de 36 euro.
Door de politieke onzekerheid is het nog onduidelijk of en in welke vorm de wet wordt ingevoerd. Ook alternatieven, zoals een mogelijke Zelfstandigenwet, bevinden zich nog in een zeer pril stadium.
Btw-verhoging op logies
Een andere financiële wijziging is de verhoging van het btw-tarief op logies. Vanaf 1 januari 2026 stijgt dit tarief van 9 naar 21 procent. Deze maatregel raakt onder meer de hospitalitysector en organisaties die huisvesting aanbieden aan werknemers. Volgens het kabinet levert deze wijziging de schatkist jaarlijks meer dan 2,3 miljard euro op.
Aanscherping van de ETK-regeling
Tot slot wordt de extraterritoriale kostenregeling (ETK) versoberd. Vanaf 2026 mogen extra kosten voor levensonderhoud niet langer onbelast worden vergoed. Het gaat bijvoorbeeld om kosten voor gas, water en elektriciteit, ook wanneer deze zijn inbegrepen in huisvesting, en om kosten voor contact met familie in het land van herkomst.
De regeling blijft uitsluitend van toepassing op kosten die direct verband houden met het werken in Nederland en die niet al in het loon zijn verwerkt.